Nieuwe afspraken over landelijke toegankelijkheid vrouwenopvang

5 april 2016

Vrouwen en kinderen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld moeten - als het nodig is - terecht kunnen in de vrouwenopvang. Maar wat gebeurt er als er in de eigen regio geen plek is? Of als het te onveilig is om in de eigen regio te blijven?

Over deze vragen buigt zich de Werkgroep borging landelijk stelsel vrouwenopvang met vertegenwoordigers van vier gemeenten en vier instellingen voor vrouwenopvang. De werkgroep is ingesteld na de herverdeling van de middelen uit de Decentralisatieuitkering Vrouwenopvang.

Samen optrekken

Anita van Zeijl

Door de herverdeling komen er in sommige regio’s plekken bij en moeten in andere gemeenten plekken worden afgebouwd. De instellingen hadden onderling altijd al afspraken over de achtervang en de landelijke toegang. ‘Maar’, zegt directeur/bestuurder Marion Suijker van vrouwenopvang Rosa Manus, ‘het is goed dat de opvang en gemeenten als partners optrekken bij het vernieuwen van die afspraken. Dat is in het belang van vrouwen en kinderen.’ Anita van Zeijl, beleidsmedewerker van de gemeente Leiden,  onderschrijft het. Zij vertelt dat verschillende ontwikkelingen het nodig maken de afspraken over de landelijke toegang tegen het licht te houden. ‘Na de herverdeling hebben de centrumgemeenten afgesproken dat zij borg staan voor het instandhouden van de landelijke toegankelijkheid van vrouwenopvang. Het is goed om eerst te kijken hoe de toegang nu functioneert. Voldoet het bestaande intake-protocol nog? Zijn de afspraken over de financiering nog adequaat? Wie betaalt bijvoorbeeld de opvang als een gezin niet in de eigen regio terecht kan omdat er te weinig opvangplaatsen zijn? Of als het gezin voor de veiligheid moet uitwijken naar een andere opvang? Dat zijn voorbeelden van vragen die op tafel liggen.’

Monitor

Marion Suijker

Voor afspraken over de toegankelijkheid is het van belang zicht te krijgen op de in-, door- en uitstroom van cliënten. Hiervoor is een monitor ontwikkeld die nu door alle instellingen wordt gebruikt, vertelt Marion Suijker. ‘De monitor is belangrijk om de feiten op tafel te krijgen. Wat gebeurt er nu? Dat klinkt eenvoudiger dan het is; goed monitoren vereist dat iedereen dezelfde definities gebruikt. Maar ook dat past in de kwaliteitsslag die de vrouwenopvang maakt. Samenwerken met ketenpartners is daarvan een onderdeel, net als gerichte aandacht voor kinderen en gestructureerd en methodisch werken. Maar ook de notie dat de vrouwenopvang meer doet dan opvang alleen. We werken tegenwoordig bij voorkeur ambulant, tenzij opvang noodzakelijk is. Wat ook weer invloed heeft op de instroom. Alles hangt met elkaar samen, daarom is het goed om de landelijke toegankelijkheid in zijn geheel onder de loep te nemen.’